Galloway in de Palmerswaard

Op een zaterdagmorgen vond ik op de bevroren ondergrond van de Palmerswaard een verstopte koker met daarin een boekrol.

Daarin schreef ik de volgende notitie:

Uit voorstudie kwamen verhalen over prut en blubber tevoorschijn. Om heuphoog modder te voorkomen met vorst de deur uit. De bevroren grondbodem was deze ochtend goed te betreden. Mist sloeg de klok in de uiterwaarden. Ossen sloten me in. De zwarte schimmen tekenden grimmig af in de nevels. Ik hoorde ganzen luid gakken, steeds harder, maar ik zag alleen maar wit. Ik kon geen uitweg vinden. Tot overmaat van ramp beginnen nu de runderen naar elkaar te loeien. Een dier achter mij brult terug. Vanuit de torenklokken beiert het twaalf uur. De dooi valt in.

In de Palmerswaard kan het nogal vochtig zijn, vandaar de opmerkingen over prut en blubber. De opmerkingen over de torenklokken betreffen het koperwerk van de laaggotische Curunakerk.

De zwarte schimmen, ik heb het later opgezocht, betreffen de galloway. De galloway omschrijven zich als kortbenig en ruiggekleed, vruchtbaar en robuust. Dit heeft verder niets te maken met de alhier ook veelvuldig voorkomende zwartekousen. Het runderras staat verder bekend als niet-agressief en om hun hoge vleesproductie.

Plaats een reactie

Volgend schrijfsel